Het is inmiddels ruim drie jaar geleden dat mijn man Thijs en ik onze comfortabele levens – inclusief keurig verbouwde jaren dertig woning, goedbetaalde banen en indrukwekkende platencollectie – gedag zwaaiden om onze intrek te nemen in een tot camper omgebouwde bus. Een enkeltje naar het beloofde land, zo zagen wij het wonen in een camper en ons leven op wielen voor ons.

We realiseerden ons geloof ik wel dat er niet meer elke dag gedoucht zou kunnen worden. En we snapten ook dat elke dag wakker worden met een strand als achtertuin waarschijnlijk ook niet tot de realistische mogelijkheden zou behoren, maar we hóópten het toch. De verhalen en foto’s die we op het internet tegenkwamen spraken ons niet tegen. We zagen gelukkige, veelal nogal blote mensen met keurig aangeharkte campers voor dromerige uitzichten. Nergens las ik over je behoefte doen op een emmer, zag ik vieze, natte modderlaarzen of foto’s van druilerige parkeerplaatsen. Na drie jaar weten we: ook vanlife kent naast alle fantastische, avontuurlijke en jaloersmakende kanten ook saaie, vieze en vermoeiende aspecten. Wonen in een camper: zo is het écht!

wonen in een camper

Een Pinterest-bus bouwen

Niet iedereen zal zich er aan willen wagen, maar wij waren vastbesloten ons eigen droompaleis op wielen te bouwen. Uren bracht ik daarom door op Pinterest, waar ik een schat aan informatie én mooie plaatjes vond. Na de aanschaf van een Renault Master – de voormalige bedrijfsbus van een glaszetter – mochten we dan eindelijk zelf een poging wagen om de dromerige foto’s van alle vanlife blogs te evenaren. We bleken al snel een totaal onrealistisch verwachtingspatroon te hebben. Niet alleen was het inbouwen van een bus iets héél anders dan het verbouwen van een woning en gingen er ontelbaar veel dingen mis, het duurde vooral een stuk langer dan verwacht. Een half jaar lang stopten we bloed, zweet, tranen én alle extra tijd die we hadden in het verbouwen van onze bus en hoewel ik nog steeds elke dag bewonderend naar ons werk kijk, werd de bus niet zo perfect als we voor ogen hadden. Een rafelrandje hier, een kiertje daar en nadat we er in trokken was er van onze showroom op wielen helemaal niets meer over. Dat gaf niet – we maakten van een utopie een daadwerkelijk huis, met alle kieren, onvolmaaktheden en gebruikssporen die daar bij horen – maar het maakt wel dat ik nu met een opgetrokken wenkbrauw kijk naar al die zogenaamde perfecte plaatjes.

wonen in een camper

Na regen komt…

Na alle klusperikelen namen we onze intrek in ons rijdende huisje en verplaatsten we ons nieuwe onderkomen naar Engeland. We hadden daar de zomer van ons leven. Er was nog geen corona, het weer was fantastisch en we konden in alle rust onze weg vinden in dit nieuwe, avontuurlijke leven van ons. Alles ging van een leien dakje, tot we in oktober Schotland inreden en het weer volledig omsloeg. Er was regen – onophoudelijke regen – het vroor ’s nachts en werkelijk álles in de bus was vochtig. Dat wonen in een bus leuker is als het mooi weer is, snapt iedereen, maar had ik me gerealiseerd dat je regenjas na een wandeling in de regen niet zo snel meer droog te krijgen is? En dat je bed dan altijd klam – en koud – is?  Dat het kleine vloeroppervlak continu onder de prut zit? En dat het heel erg moeilijk is om een productief of avontuurlijk leven te leiden als het buiten de dekens van je bed rond het vriespunt is? Maar ook het andere uiterste is niet altijd feest. Bijvoorbeeld als het een graad of dertig is en je bus in de volle zon moet staan omdat je anders je telefoon ’s avonds niet op kunt laden met de stroom van je zonnepaneel. Of dat je huis – ook als de zon weg is – snikheet blijft en je vanwege de veiligheid geen raampje open kunt laten. Of dat het heel hard waait en je niet kunt slapen omdat je zeeziek wordt van je eigen huis. In een bus ben je, veel meer dan in een bakstenen huis, afhankelijk van het weer. Je leert er mee omgaan hoor, echt. Maar ook als je in een bus woont schijnt de zon niet altijd!

wonen in een camper

Een stel viespeuken

Het is maar goed dat er nog geen geurfunctie op onze telefoons zit, heb ik meermaals gedacht. Want wat je nou nooit terug ziet op al die vrolijke, zonnige plaatjes is de enorme viezigheid die het leven onderweg met zich meebrengt. Alles gebeurt op zes vierkante meter en je kunt je misschien voorstellen dat die paar vierkante meter met het constant naar binnen en naar buiten gaan binnen een dag z’n glans – vrij letterlijk – verliest. Je tandenborstel ligt naast je op het dashboard drogende onderbroeken, de voorraad pasta bevindt zich naast het chemische toilet en de kruimels, haren, zandkorrels en chocoladevlekken verzamelen zich in rap tempo in je bed. Hoe hard je ook probeert ze buiten de deur te houden. Als je niet snel genoeg je vuilnisbak leegt ruikt je huis naar bedorven fruit en als je je vieze afwaswater te lang in de vuilwatertank laat zitten dan ben je geneigd buiten te gaan slapen, zo erg kan dat stinken. Oh en douchen? Dat doe je met een washandje en een kommetje lauw water, of maximaal één keer per week. Van wonen in een bus word je heel gelukkig – wij althans – maar ook zeker een stuk viezer (en makkelijker).

Dat gezegd hebbende: het wonen in een camper bracht ons veel meer dan het ons kostte. Het gaf ons de vrijheid om onszelf opnieuw uit te vinden, nieuwe mensen, landen en culturen te leren kennen en heel veel tijd buiten door te brengen. Maar die plaatjes op Pinterest? Wij weten wel beter!

Wat zijn jouw ervaringen met het wonen in een camper? Laat het ons weten door hieronder een reactie achter te laten. 

Foto’s: Angélica Vis